Triage in de ruimtelijke ordening

De laatste 75 jaar heeft Nederland vele goede perioden gekend. Na de tweede wereldoorlog was er behoefte aan wederopbouw. Verschillende crisissen, zoals de oliecrisis en de kredietcrisis waren zeker vervelend, maar toch zijn we in staat geweest een grote welvaart op te bouwen. Een punt om, zeker in deze week, bij stil te staan. En dan de Coronacrisis: cynici vinden het de grootste bedreiging sinds de tweede wereldoorlog, positieve mensen voorspellen in 2021 een inhaalslag in de economie. Feit is dat we als Nederland slechts een klein radertje zijn en de invloed op een crisis als deze misschien wel kleiner is dan ooit. Dankzij de opgebouwde welvaart blijf ik er in geloven dat we ook deze crisis achter ons gaan laten, maar wat daarna?

Nog meer dan een welvaartscrisis is dit een welzijnscrisis aan het worden. Het is niet voor niets dat de communicatieadviseurs van premier Rutte de slogan ‘Let een beetje op elkaar’ hebben geïntroduceerd. Klinkt goed maar is voor velen een hard gelag. Anderen menen in deze crisis een legitimering van duurzame plannen te vinden, omdat de corona-uitbraak een schoolvoorbeeld zou zijn van ‘zo kan het niet langer met deze wereld’. Weer anderen zijn druk met het schrijven van herstelplannen. Ironisch genoeg hebben al deze ogenschijnlijke tegenstellingen één grote overeenkomst: keuzes maken.

Het lijkt wel of we het verleerd zijn. Keuzes maken. Triage, het schrikwoord van 2020. Velen van u moesten het opzoeken in de Van Dale, al acht ik mijn lezers natuurlijk hoog. We zullen moeten accepteren dat niet alles kan en niet alles oplosbaar is. Zonder af te willen doen aan de ernst van de Corona-uitbraak zie je een gebrek aan keuzes durven maken op veel verschillende vlakken ook in nieuwe wetgeving. Het maximaal bestrijden van terrorisme gaat in wetgeving ten koste van uw privacy. Het maximaal herstellen van natuur gaat ten koste van boeren en bouwers. Het financieel al dan niet bijdragen aan zwakke Europese landen gaat ten koste van een internationale populariteit. We durven het niet en vaak wordt het met jaren polderen uit de publiciteit gehaald maar niet opgelost.

Een uitstekend voorbeeld is het samenspel in de ruimtelijke ordening. Misschien wel bij uitstek het rechtsgebied waarin veel interpretatie mogelijk is. Neem termen als een goede ruimtelijke ordening, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en allerhande daarmee samenhangende grenswaarden op het gebied van geur, fijnstof, geluid: kortom, milieueffecten die in orde moeten zijn alvorens een ruimtelijke onderbouwing ‘raad-van-state-proof’ is. Een prachtig werkveld: natuurlijk zijn de randen van het rechtsgebied ontgonnen, maar daarbinnen is veel ruimte. Met enige regelmaat best lastige materie, anderzijds maakt het je vindingrijk en is de Raad van State voor veel specialisten een soort interessant toets-orgaan geworden.

De diverse wetgeving, zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht, de Wet Milieubeheer, de Wet Natuurbescherming, de Wet Geurhinder en Veehouderij: deze en vele andere wetten, regelingen en besluiten zijn vaak al aardig op leeftijd, dus wat is er dan zo dynamisch aan? Ik kan een hele verhandeling geven over wanneer wat gebruikt moet worden, maar dat wordt snel saai. Wat niet saai wordt is de positie van omgevingsdiensten versus die van gemeenten en provincies. De geschiedenis van de omgevingsdiensten is een roerige. Meerdere commissies (o.a. Commissie-Wolfsen en Commissie-Mans) en de Raad van State bogen zich al over deze verhoudingen. Nu we na deze evaluaties zo’n vijf jaar verder zijn en de integratie met de Omgevingswet voorlopig nog wel even op zich laat wachten nu deze is uitgesteld, lijkt het tijd voor een nieuwe evaluatie. Zonder te pretenderen dat ik doorwrocht onderzoek heb gedaan kan ik op basis van praktijkervaring wel stellen dat het aantal beoordelende rapportages bij allerhande ontwikkelingen in rap tempo toeneemt. Quick-scans, aerius-berekeningen, passende beoordelingen, milieu-effectrapportages, beoordelingen woon- en leefklimaat, asbest-in-grond onderzoeken en ga zo maar door: de onderzoekslast neemt toe. Best dynamisch om ieder half jaar nieuwe onderbouwingen te bedenken maar het antwoord van het bevoegd gezag is standaard: ‘ter beoordeling doorgestuurd aan de omgevingsdienst’. Is dat dan erg?

De Raad van State heeft destijds in zijn algemeenheid gewezen op de nadelen van een hybride stelsel en de commissies vonden de kwaliteit bij gemeenten niet op peil. Inmiddels zijn de omgevingsdiensten en gemeenten beter op elkaar ingespeeld, in zoverre dat alles wat enigszins specialistisch is wordt doorgestuurd van gemeente naar omgevingsdienst. Ik ben de laatste die zegt dat daar geen kennis aanwezig is, sterker nog: waar ik als adviseur misschien wel tien deelfacetten moet beheersen heeft de dienst er voor iedere wel één. Een beetje adviseur redt zich daar wel mee maar de vraag is echter of de politiek zichzelf nog wel redt met de zo gewenste systeemkwaliteit?

Het mooie aan de ruimtelijke ordening is dat het niet alleen ten dienste staat aan het vullen van de zakken van initiatiefnemers maar ook aan het revitaliseren van een locatie met ruimtelijke kwaliteitswinst tot gevolg. Of het nu een binnenstedelijke herontwikkeling op oude industriegronden betreft, het realiseren van woningen op een voormalig intensieve agrarische locatie of wat anders: ook dit draagt bij aan beleidsdoelstellingen: beleidsdoelstellingen die door de gemeentelijke bestuurders zo goed mogelijk tot uitvoering moeten worden gebracht. Niet zelden staan deze beleidsdoelstellingen – al dan niet tijdelijk – op gespannen voet met bijvoorbeeld stikstof of aanwezige waarden. Dit betekent dat de eindverantwoordelijke bestuurders keuzes moeten durven maken. Keuzes binnen de beleidsdoelstellingen, binnen wetgeving, maar ook keuzes waaruit volgt dat de onderzoekslast ‘nu wel voldoende is ingevuld’. Enerzijds loop je dan soms een risico bij de Raad van State, anderzijds: sinds recente uitspraken over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht (onder meer 201802496/1/A1, 201903802/1/R1, 201903800/1/R1) is zelfs dat adagium wellicht in een iets genuanceerder daglicht komen te staan.

Terug naar Rutte. Ik las een artikel over verschillende soorten leiders. Leiders die leunen op specialisten of zelf keuzes maken. Het was Rutte zelf die aangaf dat het Outbreak Management Team de keuzes maakt. Met alle respect voor het OMT, de ‘intelligente lockdown’ en de zorgmedewerkers, zie je de maatschappelijke vraag om een bredere belangenafweging toe nemen. Zo is het eigenlijk ook met ruimtelijke ordening: het is goed dat we een specialistisch model hebben gevonden in de omgevingsdiensten maar de belangenafweging moet breder zijn dan dat. Daarvoor moeten we met elkaar misschien wel triage-instrumenten ontwikkelen om te voorkomen dat na de coronacrisis er een ‘r.o.-lockdown’ komt met overspannen omgevingsdienstspecialisten tot gevolg.

Ook in de ruimtelijke ordening gaat het immers niet alleen om welvaart maar vooral om welzijn. Want zie maar eens waar u op dit moment liever thuis werkt: in een fijne nieuwbouwwoning met ruimtelijke kwaliteit of in een oude flat? Loopt u aan tegen een onderbouwingsvraagstuk in het omgevingsrecht, spreekt u de taal van de omgevingsdienst niet langer en wilt u niet wachten op triage-instrumenten? Craeft Advies helpt u graag: voorop in omgevingsrecht!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *