Omgevingsrecht anno 2021: Herinnering aan Holland

Ermelo, 8 maart 2021
Jasper Vijfhuizen – Craeft Advies – onafhankelijk adviesbureau Omgevingsrecht, Vastgoed, Grondzaken

 

“Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan, rijen ondenkbaar ijle populieren als hooge pluimen aan den einder staan; en in de geweldige ruimte verzonken de boerderijen verspreid door het land, boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen
in een grootsch verband (…)”

Toen Hendrik Marsman in 1936 bovenstaande frase van zijn beroemde gedicht ‘Herinnering aan Holland’ publiceerde kon hij waarschijnlijk niet bevroeden hoe de situatie er in Holland anno 2021 voor zou staan. De tweede wereldoorlog was misschien nog net te voorspellen, maar de hippies, de oliecrisis, de bankencrisis en de coronacrisis lagen niet besloten in de trage rivieren door oneindig laagland. Waarschijnlijk besefte Marsman wel dat Nederland slechts een klein land was, maar dat discussies over gebruik van het oneindige laagland zo ver zouden gaan als nu het geval is, had hij waarschijnlijk niet kunnen bevroeden.

Groeiende agrarische bedrijven, stikstofdiscussies, natuurnetwerken, energietransitie met zonneparken, woningbouwprogrammering, Omgevingswetgeving, immigratie, individualiserende huishoudens: het lijstje wat betrekking heeft op onze omgeving en de daarbij behorende wetgeving lijkt in de komende verkiezingen niet op te kunnen. Nou gaat het wat ver om van een omgevingsrechtelijke crisis te spreken, maar toch geef ik graag een paar voorbeelden:

De Omgevingswet is welgeteld een week controversieel verklaard geweest na de val van het Kabinet, waarna de Eerste Kamer dit na een stemfout van D66 terugdraaide. Vervolgens stelde dezelfde Eerste Kamer (gelukkig) extra waarborgen over de digitale wanordelijkheden van het DSO (Digitale Stelsel Omgevingswet) en weet de  praktijk pas in juni 2021 of de wet per januari 2022 volledig in werking zal zijn. Dat is toch op tijd genoeg? Naar mijn oordeel niet. De rechtszekerheid die samenhangt met het overgangsrecht en bijvoorbeeld het in procedure brengen van bestemmingsplannen komt daarmee ernstig in het gedrang. Niet voor niets merk ik in de praktijk dat hier veel vragen over komen en er zelfs gemeenten zijn die stellen dat per 1 juli 2021 geen plan meer kan worden ingediend. Arrogant en onjuist, maar niet geheel onverwacht. Immers, de druk op de ambtelijke capaciteit neemt toe doordat er allerlei implementatieprogramma’s gedraaid moeten worden.

In januari deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (weer eens) twee belangwekkende uitspraken over stikstof. In ‘ViA15’ (ECLI:NL:RVS:2021:105) blijkt het veelal geprezen rekenmodel Aerius toch niet onfeilbaar, kortgezegd omdat verkeersbewegingen na 5 km niet meer worden meegenomen. Hoewel ik juridisch niets aan de uitspraak wil afdoen, kun je mijns inziens dan beter stellen dat ieder mens in Nederland niet meer naar het toilet kan omdat dit potentieel de natuurgebieden kan aantasten. In de uitspraak ‘Logtsebaan’ (ECLI:NL:RVS:2021:71) wordt vastgesteld dat interne saldering onder voorwaarden vergunningsvrij kan, mits de depositie niet hoger wordt. Hoewel de praktijk dit al langer roept, zijn de provincies bijna twee maanden na dato nog niet in staat geweest haar beleidsregels aan te passen. Gevolg: opnieuw worden initiatiefnemers en vergunningaanvragers geconfronteerd met het schemergebied tussen besluitvorming, bewijslast en verantwoordelijkheid, hetgeen mij doet denken aan de PAS-melders, waarvan u allen de gevolgen kent.

Juridisch kan de Afdeling weinig anders, het is slechts een juist uitvloeisel van wetgeving. Dit hebben we vaker gehoord, recent nog bij de toeslagenaffaire. Meer ruimte voor maatwerk, oog voor het individuele geval, een bereikbare overheid en geen generieke, slecht voorbereide, wetgeving. Wellicht is dit adagium dan ook de reden dat het natuurbeleid gedecentraliseerd is aan provincies, het ruimtelijk beleid veelal aan gemeenten en woningbouwbehoefte lokaal en regionaal wordt aangepakt. De Omgevingswet zet daarbij in op meer flexibiliteit, toekomende aan het bevoegde gezag. Vanuit rechtszekerheid valt veel af te dingen op de Omgevingswet nu iedere gemeente eigen keuzes kan maken en ook zie ik in de praktijk een enorme transitie waarbij de onderzoekslast voor initiatiefnemers hand over hand toeneemt, veelal al in een vroeg voorbereidingsstadium van een project. Tot zoverre is de gedachte achter de Omgevingswet in elk geval nog een soort van consequent, wat u er verder ook van vindt.

Des te opmerkelijker is dat tien dagen voor de verkiezingen zes van de tien grootste partijen in de Tweede Kamer een minister voor ‘Wonen’ zouden willen. Makkelijk om te scoren bij alle woningzoekende starters, maar daar liggen hele andere parameters, zoals de verziekte marktrenten, aan ten grondslag. Een minister die ‘wonen’ centraal gaat regisseren, benijd ik niet. Het is op voorhand een kansloze exercitie. Wil men met quota gaan werken? Wil men gebieden aanwijzen? Waar weinig stikstofuitstoot plaatsvindt, zijn niet altijd alle voorzieningen voorhanden. Het Planbureau voor de Leefomgeving (Pbl)1 heeft doorgerekend wat alle mobiliteitsplannen u en mij gaan kosten. Reizen wordt duurder, ver weg van het werk wonen dus ook. We zullen toch moeten accepteren dat veel mensen in een klein land tot drukte en emissie kan leiden, maar om dat zoveel mogelijk te voorkomen moet er wel in iedere regio proportioneel gebouwd kunnen worden. Dat is lastig als een minister dat gaat bepalen. Grond is schaars in Nederland en u moet vrij handig zijn om tijdig de juiste aanspraak te vestigen. Onteigeningsprocedures duren lang. In de tussentijd neemt de krapte toe.

Niet voor niets is er in de huidige systematiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking een vrij genuanceerd systeem uitgewerkt, zoals weergegeven in de overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Net als in de belangenafweging voortvloeiende uit de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht. Soms lijkt men deze leerstukken totaal te vergeten en mist men de totale samenhang van natuur-, woningbouw- en omgevingsrechtelijk beleid.

Denkend aan Holland zie ik worstelende overheden die coûte que coûte tot vernieuwing willen overgaan in een alsmaar complexere en meer juridisch wordende samenleving. Waar rijen ondenkbaar ijle populieren de vorm van witte schoepen krijgen. Waar het land, boomgroepen, dorpen, geknotte torens en kerken in een grootsch verband vechten om de meeste luide stem van hun belang.

Ben ik tegen vernieuwing, ben ik conservatief? Nee. Maar de conclusie is recent al gegeven: Meer ruimte voor maatwerk, oog voor het individuele geval, een bereikbare overheid en geen generieke, slecht voorbereide, wetgeving. En bovenal een doortastende en besluitvaardige overheid. Het bedrijfsleven kan het aan, de werkgelegenheid floreert, de markt komt in balans en er hoeft niet bezuinigd te worden. Het is tenslotte al moeilijk genoeg dat een gedicht van 85 jaar oud zo achterhaald lijkt te zijn.

Wilt u meer informatie over overgangsrecht onder de Omgevingswet, over de impact van de recente stikstofuitspraken op uw project of over een juiste onderbouwing van een binnen- of juist buitenstedelijke ontwikkeling? Neem voor meer informatie contact op.

 

  1. https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-analyse-leefomgevingseffecten-verkiezingsprogrammas-2021-2025-4324.pdf

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *