Het handelen van de overheid is met regelmaat onderdeel van het nieuws. Zowel in politiek als juridisch opzicht valt daarbij de term ‘responsieve overheid’ regelmatig. Niet zelden wordt dit gekoppeld aan het wel en wee van burgers. Is dit terecht en zijn we op weg naar een responsieve(re) overheid of is het een holle frase?
Dit brengt mij bij de eigenlijke definitie, wat direct op problemen stuit. Het Van Dale woordenboek geeft geen uitsluitsel. Het eerste zoekresultaat op Google levert een onderzoeksrapport op, welke de volgende definitie citeert:
“Het vermogen van professionals om in te schatten wat voor de ander werkelijk van waarde en betekenis is, ook wel ‘het luisterend en empathische vermogen’ genoemd. Het begrip verwijst naar het woord responderen, dat reageren, antwoord geven betekent.”
Gevoelsmatig sluit deze definitie aan op hetgeen ik onder het woord responsiviteit versta, waarbij het direct een aantal kritische elementen weergeeft. Ik noem daarbij het vermogen van een individuele professional om een inschatting te maken, te luisteren en een reactie te geven. Luisteren is niet iedereen gegeven en een reactie geven wil nog niet zeggen dat er ook sprake is van een antwoord. Misschien is het spijkers op laag water zoeken, maar het geeft aan dat wat het woord ‘responsiviteit’ voor de één betekent, dat het voor de ander nog niet hoeft te betekenen.
Het is mijns inziens dan ook belangrijk om een dergelijk containerbegrip niet te formuleren als oplossing voor een ontevreden burger. Het handelen van de overheid is in veel gevallen aanzienlijk genormeerd, hetzij door algemene wetgeving, zoals de Algemene wet bestuursrecht en/of algemene normen zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Op andere terreinen is er speciale wetgeving, zoals het omgevingsrecht of belastingrecht.
Ontwikkelingen in het politiek-juridische systeem zijn in dat kader bijvoorbeeld het wetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Awb, de ontwikkeling van de Wet openbaarheid van bestuur naar de Wet open overheid en meer beleidsmatige voorstellen zoals het Meerjarenplan openbaarheid en informatiehuishouding. Wat mij daarbij opvalt is dat steevast de Kinderopvangtoeslag-affaire wordt benoemd. Hoe triest dat ook in voorkomende gevallen kan zijn, het was toch echt de Tweede Kamer zelf die de betreffende wetgeving heeft aangenomen. Het voorliggende voorstel voor de Awb of de inwerking getreden Woo veranderen dat niet en of het voorstel tot een constitutioneel hof van Omtzigt twee kabinetsperioden gaat overleven, valt te betwijfelen. Met andere woorden: je kan je blijvend aan de wet houden maar dat betekent nog niet dat er sprake is van responsiviteit die tegemoet komt aan de verwachting van de burger.
Een ander aspect is dat responsiviteit niet zelden in verband wordt gebracht met participatie. Hoewel je over het woord ´participatie´ eenzelfde definitiediscussie kan voeren als over responsiviteit, zal ik dat hier niet doen. Wat ik in de praktijk echter veel zie, is dat participatie door (lokale) overheden steeds belangrijker wordt gevonden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en participatiebeleid is dat in de omgevingsrechtelijke werkelijkheid ook een soort van gecodificeerd, hoewel daar nog veel nuances op te maken zijn. Het punt is echter dat diezelfde, responsieve, overheid, vindt daartoe te weinig capaciteit te hebben. Participatie wordt daarmee veelal als een verplicht onderdeel voor een initiatief, bij de initiatiefnemer neergelegd, eendachtig de gedachte uit de Omgevingswet. Deze constructie heeft mijns inziens verschillende elementen in zich om te spreken van een contradictio in terminis. Immers, de belangen van een initiatiefnemer en een ´participant´, zijn niet zelden per definitie tegenstrijdig.
Natuurlijk is het zo dat je met overleg veel kunt bereiken en de initiatiefnemer daarin een rol kan vervullen. Het brengt partijen echter onherroepelijk bij de vraag: “wanneer is het genoeg?” Juist voor dit type besluiten is de (lokale) politiek bij uitstek geschikt en moet er evident een belangenafweging plaatsvinden. Ik betwijfel of de participant tevreden is met een overheid die het participatietraject bij een partij met diens eigen belangen neerlegt om vervolgens te stellen geluisterd te hebben maar er in de belangenafweging niets mee te doen. Hiermee wordt de tevredenheid mogelijkerwijs niet vergroot maar wordt een voedingsbodem voor een driepartijengeschil gecreëerd.
Pleit ik daarmee voor een overheid met meer regie? Niet in de eigenlijke zin van het woord. Wel pleit ik voor een overheid die lef toont, een belangenafweging durft te maken en het gesprek daarover durft aan te gaan. Dat zal niet zelden een cultuuromslag vragen.
Nu de overheid drukker lijkt te zijn met zichzelf dan ooit (digitalisering, verduurzaming, omgevingswet, discussie over mate van inhuur, etc.) lijkt die cultuuromslag ook verder weg dan ooit. Bovenal, een cultuuromslag schrijf je niet op in wetten en realiseer je niet met een constitutioneel hof. Wellicht is het echter minder cynisch dan het lijkt: dat er al een aantal jaren over geschreven wordt is winst waar het gaat om bewustwording.
Mijn conclusie is dat een responsieve overheid begint bij de professionals aan tafel. Het huidige juridische systeem biedt voldoende waarborgen en mogelijkheden. Het zou daarom winst zijn om responsiviteit niet alleen in algemene terminologie als politiek uithangbord te gebruiken, maar ook te bezigen in de praktijk door verantwoordelijkheid te pakken. Pas dan wordt er echt responsief gehandeld. Kortom: er zijn vorderingen geboekt, maar het moet geen holle frase worden.



